Overpeinzingen

Vrijdag 27 maart was ik op de workshop

“De Europese Chemicaliënwetgeving: “Slimme oplossingen voor het vermijden van zorgwekkende stoffen”

georganiseerd door  WECF

Women in Europe for a Common Future (WECF) werd opgericht in 1994 in Nederland op initiatief van een groep Europese vrouwen na afloop van de Rio Earth Summit in 1992. De Milieutop van Rio in 1992 bracht vele actieve, enthousiaste Europese vrouwen bijeen die zich wilden inzetten voor duurzame ontwikkeling.

De discussie in de workshop ging over hoe ingewikkeld het is voor de consument om er achter te komen of wat er in producten zit wel of niet schadelijk is. Is het de taak van de consument om dit uit te zoeken, of is het de taak van de overheid om te zorgen dat er geen schadelijke stoffen meer in producten zitten?

Hoe ga je om met de wetenschap dat bijna alle producten in onze omgeving schadelijke stoffen bevatten?

Dat je weet dat als je kleding wast, er schadelijke chemicaliën uit je kleren gewassen worden, die weer in het milieu terecht komen? De vervuiling omtrent o.a. textiel is niet alleen in de landen waar de producten gemaakt worden, maar ook hier in Nederland.

Eerlijk gezegd, weet ik niet meer wat ik aan moet met deze wetenschap.

Alle stoffen in producten moeten tegenwoordig geregistreerd worden, maar hoe interpreteer je die. Registratie alleen is niet genoeg.

Momenteel labelen we de zogenaamde goede, schone producten met een eco-label. Labeling van die producten is heel duur. Dus vele kleine ondernemingen kunnen dat niet. Eigenlijk zou het anders moeten. De vervuiler zou moeten betalen. Op de producten zou een vervuilingspercentage moeten komen. Dat zou eerlijk zijn.

En wat kunnen we doen als consument? We zijn een sterke groep en kunnen veel macht uit oefenen door bijvoorbeeld bepaalde producten met z’n allen niet meer te kopen. Voor heel veel producten zijn schone alternatieven. Bewustzijn creëren is dus belangrijk.